3. Grafische objecten

Een presentatie zonder enige illustratie zou maar saai zijn. Van eenvoudige symbolen of vormen tot hele schilderijen of foto's, je kan ze in een presentatie voorzien.
Volg wel best de algemene regel voor digitale documenten: éérst de tekst in orde brengen, opslaan en daarna pas de grafische objecten toevoegen.

Hoe je illustraties en afbeeldingen in de presentatie brengt wordt uitgelegd in punt 6.1.1. bij Multimedia importeren.

3.1. Tekenen in Powerpoint

Kaders, pijlen, sterren, ... zulke eenvoudige vormen kan je via lint Start tekenen: klik in sectie Tekenen op pijltje Meer, kies een vorm en klik-sleep in de dia om te tekenen.

Curve en Vrije Vorm teken je ietsje anders: klik voor elk hoekpunt en dubbelklik voor het eindpunt.

Dan kan je lint Hulpmiddelen voor Tekenen activeren en de geselecteerde vorm opmaken: vulling, rand, speciale effecten, ...

Klik in een vorm en je kan erin typen; het hoeft niet specifiek een tekstvak te zijn.
Voor de opmaak van de tekst gebruik je de gewone tekstopmaak op lint Start plus rechtsklikken Vorm Opmaken, tab Tekstopties – Tekstvak voor de positie van de tekst binnen het object.

Het formaat van een vorm pas je aan door de ankerpunten te verslepen of via rechtsklikken en Grootte en Positie te kiezen en daar andere afmetingen in te stellen.

Trouwens, in plaats van lint Hulpmiddelen voor Tekenen te gebruiken, kan je rechtsklikken op een object en Object Opmaken kiezen.


3.2. WordArt

Met WordArt kan je allerhande decoratieve effecten toepassen op tekst, beter gezegd: op een grafisch tekstobject.
Werkwijze:

  1. Zorg dat er niets geselecteerd is, activeer lint Invoegen en klik op het pijltje aan WordArt.
  2. Klik op de gewenste basisopmaak. Midden op de dia verschijnt een tijdelijke aanduiding.
  3. Typ de tekst. Wil je later de tekst aanpassen, dan klik je gewoon opnieuw in het vak.
  4. Klik op de rand zodat het object geselecteerd is en gebruik de opties op lint Hulpmiddelen voor Tekenen voor de opmaak:
    • pas de tekstopmaak aan via de opties in sectie Stijlen voor WordArt;
    • geef het vak zelf een opvulling of omtrek via de opties in sectie Vormstijlen.
    • Met de gewone ankerpunten kan je vergroten of verkleinen, het groene bolletje gebruik je om te roteren en een roze ruitje om de tekstbuiging aan te passen.
  5. Klik ergens buiten het object om de dia zelf verder af te werken.

3.3. SmartArt

In vorige versies van PowerPoint had je aparte opties om allerhande diagrammen of een organigram in te voegen; nu zit dat allemaal bij SmartArt.
Als informele definitie kan je stellen dat een SmartArt-object een grafische indeling is waarin tekst getypt kan worden.
Werkwijze:

  1. Voeg een nieuwe dia Titel en Object in en klik op het derde pictogram van de eerste rij of kies op lint Invoegen – SmartArt.
  2. Kies in de linkerkolom de basisindeling:
    • Lijst: uitbeelding van een lijst wel of niet gerelateerde ideeën;
    • Proces: toon de stappen in een proces of tijdlijn;
    • Cyclus: illustratie van een proces met een doorlopende cyclus;
    • Hiërarchie: toon een beslissingsstructuur, zoals een organigram;
    • Relatie: illustreer de relaties tussen de objecten;
    • Matrix: delen van een geheel uitbeelden;
    • Pyramide: van een brede basis naar een smalle top (of andersom), denk bv. aan de voedselpyramide;
    • Afbeelding: foto's met kanttekeningen, een groep illustraties, e.d.
    • Office.com: extra indelingen die Microsoft ter beschikking stelt.
  3. Klik in het middenstuk op een indeling om rechts meer uitleg te lezen als hulp bij je keuze.
  4. Gewenste indeling gevonden? Klik OK en typ de tekst in het daarvoor voorziene tekstvenster. Niveaus toevoegen gebeurt meestal met Tab, items toevoegen met Enter.
  5. Gebruik dan de opties van linten Hulpmiddelen voor SmartArt – Ontwerpen en Opmaak om de opmaak en zonodig de structuur aan te passen.
  6. Klik buiten de dikke rand rondom het SmartArt-diagram om de dia zelf af te werken.

3.4. Grafieken

Je kan allerhande grafieken in een presentatie invoegen, zelfs plakken bv. uit Excel.
De normale manier van werken is:

  1. Voeg een dia met objectaanduidingen in en klik op het tweede pictogram.
  2. Kies de gewenste grafieksoort:
    • Kolom: voor gegevens uit een tabel met rijtitels (categorieën) en kolomtitels (reeksen).
    • Lijn: 1 lijn = een gegevensreeks van verbonden punten, de gegevens. Ideaal om trends en evoluties te representeren
    • Cirkel: toont slechts één gegevensreeks, met elk gegeven als een taartpunt
    • Staaf: kan je beschouwen als 'liggende' kolommen
    • Vlak: toont vlakken in plaats van lijnen; benadrukt de grootte van wijzigingen in de tijd
    • Spreiding: toont een punt voor elk koppel (x, y)-waarden
    • Hoog/laag/slot: bv. voor aandelen, trekt een lijn tussen de hoogste en laagste waarde van de dag plus een streepje voor de slotwaarde
    • Oppervlak: lijkt op een topografische kaart, met vlakken van aangrenzende waarden
    • Radar: toont de wijzigingen in de waarden ten opzichte van een middelpunt
    • Keuzelijst: meng twee grafieksoorten
  3. Typ de gegevens in het tabelvenstertje. De categorieën verschijnen op de X-as, de gegevensreeksen in kolommen.
    Sluit het venstertje als je de gegevens getypt hebt.

Zodra je een grafiek gemaakt hebt – en zolang de grafiek geselecteerd is – zie je lint Hulpmiddelen voor Grafieken, dat uit twee delen bestaat: Ontwerpen en Indeling.
Lint Hulpmiddelen voor Grafieken – Ontwerpen toont opties voor de grafiek in z'n geheel.
Lint Hulpmiddelen voor Grafieken – Indeling gebruik je om elk stukje apart in te stellen.

Bovendien staan er naast de grafiek zelf drie knopjes: Grafiekelementen, Grafiekstijlen en Grafiekfilters.

Bovendien kan je nog meer in detail gaan aanpassen:

  1. Klik op een onderdeel om alle gelijksoortige onderdelen te selecteren of dubbelklik erop om enkel dat deeltje te selecteren.
  2. Rechtsklik in de selectie en kies [Naam onderdeel] Opmaken en je kan opties instellen voor de opvulling, randkleur en -stijl, schaduw en 3D-effecten, ... afhankelijk van de grafieksoort en het geselecteerde onderdeel.
  3. Klik op de rand en sleep om de hele grafiek een andere positie op het werkblad te geven.