2. Tekst typen en opmaken

In een presentatie gelden dezelfde principes voor tekst als in een ander programma:

De teksten in een presentatie moeten kort en krachtig zijn. Gebruik ook een gelijkaardige opmaak voor gelijksoortige tekst (titels, opsomming, tabeltekst, ...).

2.1. Tekst typen en bewerken

Er zijn twee handige manieren om tekst te typen:

Zowel in het diavenster als in Overzicht gelden volgende regels:

Foutje gemaakt? Helemaal bovenaan links zie je balkje Snelle Toegang met o.a. knop Ongedaan Maken. Hetzelfde bereik je met Ctrl-Z.


2.2. Tekst controleren

Tekst met rode of groene golflijnen onder? Ofwel gaat het om een eigennaam ofwel heb je een taalfout gemaakt.

2.2.1. Taalkeuze

Standaard neemt Microsoft Office de standaardtaal van het besturingssysteem (Windows) over, maar dat is daarom niet de enige beschikbare taal.
In de Nederlandse versie van Office bv. heb je de keuze tussen Nederlands, Frans, Engels en Duits.
Heb je een ander taalpakket nodig, dan kan je dat bij Microsoft aankopen.

Bij knop Taal op lint Controleren kan je de actieve taal aflezen en aanpassen via de optie Voorkeurinstellingen voor Taal.

Andere taalcontrole nodig voor een deel van de presentatie?
Selecteer de tekst die tot een andere taal behoort, klik op de taalaanduiding onderaan het venster en kies de gewenste taal in het lijstje.
Ofwel kies je op lint Controleren bij knop Taal de optie Controletaal Instellen.

Op lint Controleren staan nog enkele mogelijkheden in taalverband:

  • Onderzoeken laat je opzoeken in encyclopedieën en vertaalservices;
  • Synoniemenlijst: selecteer een woord en klik op deze knop om een synoniem ervoor op te zoeken;
  • Vertalen: selecteer de tekst die je wil vertalen en zoek in de minivertaler of in uitgebreide vertaalservices.

2.2.2. Spelling en grammatica

Normaal worden spelling- en grammaticafouten tijdens het typen aangegeven met een golflijn onder het foute of onbekende woord, maar je kan ook een spellingcontrole doorheen de hele tekst uitvoeren.

  • Controleer eerst welke opties gelden: klik linksboven op Bestand en daar op Opties. Activeer Controle en overloop de opties, evenals de manier waarop AutoCorrectie uitgevoerd wordt. Voor meer uitleg klik je op het vraagteken, langs het sluitkruisje van dit venster.
  • Rechtsklik op een golflijn en klik op de juiste suggestie of verbeter manueel of kies Toevoegen om het onbekende woord in de woordenlijst op te nemen.
  • Typ eerst de hele tekst, zet de cursor bovenaan in de eerste dia, activeer lint Controleren en klik op de eerste knop, Spelling.

2.2.3. Reviseren en opmerkingen

Werk je samen met anderen aan dezelfde presentatie? Dan zal je opmerkingen zeker handig vinden.
In andere Officeprogramma's zoals Word kan je ook bijhouden wie welke wijzigingen aanbrengt en ze dan accepteren of weigeren. In PowerPoint kan dat enkel met een presentatie die op een Sharepoint-server staat en waar je samen met collega's aan werkt.

Het beheer van Opmerkingen gebeurt via lint Controleren.

  • Selecteer het object en klik op lint Controleren op Nieuwe opmerking om een opmerking toe te voegen;
  • Maak de bestaande opmerkingen zichtbaar – of verberg ze weer – met knop Markeringen weergeven;
  • Pas een opmerking aan door ze te selecteren en erin te klikken;
  • Selecteer een opmerking en druk Delete of klik op Verwijderen om ze te wissen;
  • Met Vorige en Volgende blader je door de opmerkingen.

2.3. Tekst opmaken

De gewone opties voor tekstopmaak vind je op lint Start, dat standaard actief is.
Heb je tekst geselecteerd, dan verschijnt de miniwerkbalk met courante opdrachten voor tekstopmaak.

Het is ook handig als de linialen zichtbaar zijn; je activeert die optie via selectievakje Liniaal op lint Beeld.

2.3.1. Selecteren

Alvorens de tekst op te maken, moet je die eerst selecteren. Daarvoor gelden dezelfde mogelijkheden als in Word.

We bekijken enkele methoden, specifiek voor PowerPoint:

  • Woord selecteren: dubbelklik op het woord
  • Alinea selecteren: klik driemaal in de alinea
  • Ctrl-A selecteert alle tekst in dezelfde tijdelijke aanduiding – of in overzichtsweergave: alle tekst in de hele presentatie
  • Klik op de rand van een tijdelijke aanduiding om die als geheel te selecteren. Nu kan je zowel tekstopmaak toepassen (op de inhoud) als grafische opmaak (op het vak zelf).)

2.3.2. Tekenopmaak

De opmaak voor de teksttekens vind je in sectie Lettertype van lint Start:

  • Lettertype: de vorm van de teksttekens, wel of niet proportioneel geschikt;
  • Tekengrootte: formaat van de tekststekens in punten, waarbij 72 punten = 1 inch = ± 2,54 cm;
  • A'tjes om de tekengrootte te verhogen of verlagen in stappen;
  • Een knop om alle opmaak in de selectie te wissen;
  • De tweede rij begint met de variaties in tekenstijl: vet of cursief;
  • Dan de effecten: onderstreept, met schaduw, doorgehaald;
  • Bovendien kan je de afstand tussen geselecteerde lettertekens aanpassen en het hoofdlettergebruik;
  • De laatste knop van deze sectie gebruik je om de tekstkleur aan te passen;
  • Voor meer opties, zoals sub- of superscript, klik je op het kleine hoekje-met-pijltje rechtsonder in de sectie: dat opent venster Lettertype.

2.3.3. Alinea-opmaak

Het uitzicht van een hele alinea bepaal je via sectie Alinea op lint Start:

  • Opsommingstekens: klik op het pijltje aan de knop om een ander symbool te kiezen of de kleur of grootte ervan aan te passen; klik op de knop zelf om de optie in- of uit te schakelen.
  • Nummering: met cijfers of letters, vanaf 1 of niet, enz.
  • Werken met subniveaus van opsomming of nummering, via knoppen Lijstniveau Verlagen (idem: druk Shift-Tab) en Lijstniveau Verhogen (idem: druk Tab);
  • Regelafstand: de hoogte van de tekstregels (en hun onderlinge afstand) regelen;
  • Op de tweede rij vind je de horizontale uitlijning: links, centreren, rechts, uitvullen;
  • Via het pijltje aan de volgende knop kan je werken in krantenkolommen;
  • Rechtsboven staat de tekstrichting: horizontale, verticale, diagonale tekstregels;
  • Tekst uitlijnen: staat de tekst verticaal tegen de bovenkant van het vak, in het midden (standaard) of tegen de onderkant;
  • De laatste optie, Converteren naar SmartArt zet de geselecteerde tekst in een diagram.

2.3.4. Achtergrondkleur

De hele dia geef je een gekleurde achtergrond via de modeldia of een thema – zie Modellen.

In PowerPoint staat echter alle gewone tekst automatisch in een zogenaamde 'tijdelijke aanduiding', een tekstvak in feite.
En een tekstvak kan je opmaken zoals een grafisch object: klik op de rand van het vak, activeer lint Start en

  • kies bij Opvullen van Vorm voor een effen achtergrondkleur, een kleurovergang, bitmappatroon of afbeelding van schijf;
  • kies bij Omtrek van vorm voor een dikke of dunne rand, in stippellijn of volle lijn, met kleur naar keuze;
  • heeft het vak een opvulling of rand, dan kan je bij Vormeffecten een extra schaduw of ander effect toevoegen.

2.4. Tabellen

Met kopiëren en plakken kan je vanuit Word of Excel een tabel rechtstreeks op een dia plakken, maar PowerPoint bevat ook een ingebouwde tabelfunctie:

  1. Voeg een nieuwe dia Titel en Object toe via de knop Nieuwe Dia op lint Start.
  2. Midden op de dia staat een kadertje met 6 pictogrammen. Klik op het eerste, Tabel Invoegen.
  3. Bepaal hoeveel kolommen je naast elkaar wil en hoeveel rijen onder elkaar en klik OK.
  4. Typ de waarden in de tabel. Met Tab spring je naar de volgende cel en als je in de laatste cel Tab drukt, komt er automatisch een rij bij.
  5. Bepaal de opmaak voor de tabel op het lint Hulpmiddelen voor tabellen dat nu verschenen is.
  6. Klik buiten de tabel om de dia zelf verder af te werken.

Misschien heb je de tabel al in Excel (of Word)?

Dubbelklik in een gekoppelde tabel om zowel het origineel als de gekoppelde kopie in PowerPoint aan te passen.
Heb je het origineel aangepast, dan zal je de volgende keer dat je de presentatie opent moeten klikken op Koppelingen Bijwerken.